Cursusavonden / werkwijze

Aanvullende pagina’s:
cursuskenmerken,
zelfhulp

Samenvatting:
A. Structuur: De cursusavonden verlopen volgens een bepaalde structuur (als spel).
B. Begeleiding: De begeleidingstaken worden gespreid over zo veel mogelijk groepsleden.
C. Ontstaansgeschiedenis: De tegenstrijdigheid tussen een cursus en zelfhulp is opgelost.
D. Hulp: Veel dank aan ds. Visser voor de goede hulp bij het vinden van cursusruimte.

A. STRUCTUUR

Elke bijeenkomst heeft 2 hoofd-elementen:

  1. het doen van oefeningen;
  2. het begeleiden van de oefeningen (alles in goede banen leiden via zelfhulp).

Alle groepsleden kunnen bij beide elementen een rol spelen, geheel vrijwillig.

Prof. dr. H.T. van der Molen (1984): Een verlegen mens heeft vooral last van verlegenheid in een groep van 5 tot 10 personen, als de aanwezigen vage bekenden zijn en bij een informele omgang, waarbij de verlegen mens een initiatief wil nemen. Informele omgang, omdat de omgangsregels nog niet bekend zijn (groepsnormen en -verwachtingen).

De groepsbijeenkomsten komen in alle opzichten overeen met deze omschrijving. Daarom zijn de bijeenkomsten ingericht volgens een duidelijke structuur, vanwege een gevoel van veiligheid, en wel zo dat iedereen ongeveer even veel aan bod kan komen, zowel bij de begeleiding als de oefeningen zelf. Het geheel doet denken aan een spel met spelregels. In het nut van de spelvorm word ik ondersteund door Bomans: “De charme van elk spel, kansspelen uitgezonderd, is de beperkte en daardoor overzichtelijke orde, waarin men zich plotseling bevindt”.

Nog iets over het spel. Op 20-12-2013 was er weer een aflevering van de filosofische TV-serie “Dus ik ben”. De presentatie was in handen van de filosofe Stine Jensen. Deze aflevering was geheel gewijd aan het thema “het spel”.
Enkele letterlijke citaten volgen hier.
Wij behoren allen tot de soort homo ludens, ”De spelende mens”.
Friedrich Schiller had altijd wat te doen. Naast dichter en toneelschrijver was hij ook filosoof, en hij kon met veel passie en pathos schrijven over spelen. “De mens speelt alleen indien hij in de volle betekenis van het woord mens is …… en hij is alleen dan geheel mens, indien hij speelt.”
Volgens Schiller ervaren we enkel in het spel echte vrijheid. Ook al is het tijdelijk, het spel bevrijdt ons even van ongebreidelde verlangens. De dwingende realiteit wordt even van de troon gestoten, even is er verlossing en verlichting.
De voorstellingen die je kunt oproepen met het spelen van een spel, verdwijnen als je je niet aan de regels van het spel houdt.
Tot zover het TV-programma.

Als een oefening pittig gevonden wordt, dan relativeert de spelvorm veel. Dit geldt voor de basiscursus. In de vervolgcursus wordt ervan uitgegaan dat men ook zonder een vooraf bepaalde structuur tot zijn recht kan komen, dit vanwege de geleerde vaardigheden tijdens de basiscursus.

Het omgaan met structuur (bv. bij tijdsoverschrijding) is op zich al een oefening waardoor men leert soepel en assertief op te treden.

B. BEGELEIDING

De gang van zaken binnen een oefening, zoals bv. open vragen stellen, wordt beschreven in een handleiding. De oefening wordt hardop voorgelezen door een “willekeurig” groepslid, dat hiertoe wordt uitgenodigd en hiertoe bereid is, of zichzelf aanmeldt. Deze variatie zorgt voor levendigheid en improvisatie. Het element improvisatie, kenmerkend voor spontane contacten, zit ‘m niet alleen in deze variatie, maar ook in het feit dat de handleiding niet vooraf aan hem is verstrekt. Hij heet de zg. mini-begeleider, met de nadruk op mini, omdat hij slechts één oefening voorleest en eventueel begeleidt; bij het begeleiden behoeft hij geen enkele verwachting waar te maken. Hij gooit zichzelf in het diepe. Het is mooi als hij hulp nodig heeft, want zo wordt, al doende, samenwerking beoefend. De handleiding is, zoals gezegd, niet vooraf verstrekt. Alleen de avondbegeleider en de contactpersoon (die gewoon lid van de groep zijn) hebben de handleiding ruimschoots vóór de bijeenkomst bestudeerd en doorgesproken, eventueel met behulp van tips van de oprichter van de stichting. Een houvast bij de begeleiding van de oefening is gerealiseerd in de vorm van een “groene kaart”, waarop een aantal vaste fasen zijn vermeld, bv. stillezen, samenvatten en vragen of iedereen de oefening heeft begrepen.
Het voorlezen in de voltallige groep, in plaats van een eigen verhaal moeten vertellen, geeft structuur en houvast en dus een gevoel van veiligheid aan het spreken. Verder is de manier van voorlezen vrij. Men behoeft alleen maar verstaanbaar te zijn. Gevorderden kunnen, als ze willen, verlevendigende variaties aanbrengen in stemvolume, toonhoogte, intonatie, spreeksnelheid, articulatie, pauzes, gezichtsuitdrukking, houding en oogcontact, e.d. Het voorlezen kan uitsluitend als informatie-overdracht gezien worden, maar kan dus ook (geheel vrijwillig en op eigen initiatief) beoefend worden als voordrachtskunst of een vaardigheid zoals die in praktijk wordt gebracht door nieuwslezers, samenstellers van voorleesboeken, hen die gedichten voordragen, enz.
Dus binnen de structuur van het voorlezen van een oefening en de verdere begeleiding van die oefening wordt het element improvisatie recht gedaan door de taakverdeling, die ter plekke ontstaat. Men leert zo, via improvisatie, spontaan, en toch gestructureerd zich met zelfvertrouwen te manifesteren in een groep, daarin het woord te nemen, e.d. Daarom vormt het hardop lezen van de oefening het hart van de begeleidingsmethode.
Soms wordt geprobeerd het hardop lezen te vermijden vanwege het “enge” component, dat wordt “gesublimeerd” tot kritiek, alsof een tekst hardop lezen een kinderachtige bezigheid zou zijn. Gelet op de ervaring stel ik dat deze kritiek voortkomt uit irrationele gedachten. Voor het begrip irrationele gedachten verwijs ik naar  http://www.aanpakverlegenheid.nl/probleemanalyse-beknopt/ (punt 2).
Na les 2 nodigt de cursusleider twee groepsleden uit om 1e en 2e contactpersoon te worden. Zij hebben de eindverantwoordelijkheid voor een goed verloop van de avonden binnen de cursusmethode. .

Samenvatting
Degene die een oefening heeft voorgelezen is niet verantwoordelijk voor de uitvoering van de oefening, waarvan hij de tekst immers nog niet eerder heeft gezien. Hij probeert slechts iets bij te dragen in die richting, de avondbegeleider en de contactpersoon vullen aan, sturen bij. Alleen zij zijn verantwoordelijk. Dit alles gaat heel rustig en overzichtelijk via enkele vaste, goed gescheiden, verhelderende tussenfasen, de zg. groene kaart-methode.

Conclusie
Deze samenwerking bij de begeleiding, die als vanzelf loopt (via natuurlijke improvisatie, positief denken en assertiviteit), is gebleken een zeer goed hulpmiddel te zijn bij het overwinnen van verlegenheid. Dit is dus de zelfhulp, als extra middel naast de communicatieve vaardigheden die men opdoet via de oefeningen zelf.

Toelichting
Het inwerken van de contactpersoon door de cursusleider duurt 3 bijeenkomsten (les 3, 4 en 5). De samenwerking tussen contactpersoon en de — per bijeenkomst wisselende — avondbegeleider geeft stabiliteit aan de groep, bv. bij verhindering van een van beiden. Er zijn zelfs twee contactpersonen.
De cursusleider woont de eerste vijf bijeenkomsten bij, of in bepaalde gevallen de helft. Hij springt zo weinig mogelijk in, al vervult hij een centrale rol bij de voorbereiding van alle lessen zonder alles dicht te timmeren.

C. ONTSTAANSGESCHIEDENIS

In 1988 sloot ik me aan bij de Vereniging van Verlegen Mensen enkele weken na haar oprichting. In haar statuten is bepaald dat de hulpvorm zelfhulp is. Ik werd al gauw bestuurslid en ben kort daarna in Rotterdam groepen gaan begeleiden. Naast een door verenigingsoprichter Jan van Wandelen geschreven cursusboek en werkboek, die als huiswerkstof bestemd waren, was er een handleiding van zijn hand, waarin de oefeningen voor de cursusavonden zelf waren beschreven. * Er was geen begeleidingsmethode, zodat de groep afhankelijk was van één leider, meestal een bestuurslid, hetgeen in strijd was met de statuten: zelfhulp.
Het bleek na een aantal lessen dat niemand de begeleiding van mij wilde overnemen en zo stond het voortbestaan van de groep op het spel. De groepsleden waren gewend aan één leider. Men vond daarbij het volgen van de cursus al een uitdaging op zich. En men ervoer ook nog eens begeleiden als een te zware taak, en een veel te enge taak. Logisch, want nergens wordt een cursus door de cursisten zelf begeleid, laat staan door verlegen mensen (vicieuze cirkel). Ik begreep, uit het raam van een trein turend de verte in, dat er slechts één manier was om deze patstelling te doorbreken, en dat was: Iedereen al vanaf les 1 vrijwillig een klein rolletje laten spelen in de begeleiding, bv. aan een medegroepslid vragen iets te doen. Om iets wat mogelijk ingewikkeld is, toch haalbaar te maken, is er de spelvorm. Immers, een spel met zijn duidelijke spelregels suggereert een zekere lichtheid, relativering, eenvoud en overzichtelijkheid en dus veiligheid, die een goede voedingsbodem is om vaardigheden te oefenen en het woord te voeren. De aandacht wordt afgeleid van de verlegenheid en wordt verlegd naar inhoud en spelregels van het spel. Gebleken is dat spelenderwijs, onder veilige omstandigheden, op deze manier snel vaardigheden worden opgedaan. Veiligheid is bij een cursus als deze belangrijker dan alle andere wensen. De spelvorm kan de associatie met een kinderachtige aanpak oproepen bij die mensen die zich schamen voor hun verlegenheid. Maar ja, je kunt pas werken aan een dergelijk probleem, als je het niet meer ontkent en als je bereid bent te beginnen bij het begin, d.w.z. bij die oefeningen, die gebaseerd zijn op de meest elementaire basisbeginselen. Zoals je ook een gebroken been ontziet wanneer je na een ski-ongeluk heel voorzichtig leert lopen.
Door de vorderingen vergroot de cursist zijn zelfvertrouwen, hetgeen een goede basis is voor verdere vooruitgang. (Zelfperceptietheorie. Kees van der Velden: directieve therapie, 1977, deel 1, blz. 62)

     In groepen in andere provincies bleek dat als er maar één leider is en die werd ziek of verhuisde of het te druk kreeg, de groep een leider ontbeerde, waarna die uiteen viel.

Ik heb toen (in 1989) —  i.v.m. het zelfhulpprincipe — een begeleidingsmethode ontworpen, de hierboven genoemde groene-kaart-methode, waarbij zo veel mogelijk groepsleden een rol of rolletje mochten vervullen in de begeleiding, geheel vrijwillig, op basis van de principes hierboven vermeld. Dit werkte zoals verwacht sterk reducerend op de verlegenheid. Er moest ook een handleiding met oefeningen voor 20 bijeenkomsten geschreven worden die goed aansloot op het begeleidingssysteem. Omdat ik er een persoonlijke hobby in zag dit te doen, heb ik het zonder verzoek of opdracht van wie ook gedaan. Van 1989 tot 1995 heb ik deze handleiding aan de hand van mijn praktijkervaringen in door mij opgestarte Rotterdamse groepen ** telkens ietsje verbeterd, totdat ik in 1995 de definitieve versie, empirisch tot stand gekomen, aan prof. Van der Molen voorlegde. Hij reageerde enthousiast. Daarvóór was de voltallige Educatiecommissie al naar Rotterdam gekomen om een normale bijeenkomst van een bestaande groep bij te wonen. De commissie was lovend over de methode. Professionele hulpverleners hebben een groepsbijeenkomst bijgewoond en waren zeer positief. De handleiding met begeleidingsmethode werd in 1995 voorgelegd aan het bestuur, dat besloot tot landelijke invoering over te gaan. Sindsdien heeft de cursus eraan mogen bijdragen dat honderden mensen zich een geheel nieuw leven hebben bezorgd. In 2007 is er een herdruk geweest waarin de lay-out werd verbeterd.
Het gehele proces heeft op mij sterk levensvervullend gewerkt en doet dat nog steeds. Uiteraard worden nodige aanpassingen aan de huidige tijd aangebracht maar de kern van de methode verdient mijns inziens een uiterst zorgvuldige bescherming, als ik kijk naar de behaalde successen (en de investering in tijd, enz.).
Een woord van dank verdienen alle cursisten die in de loop van de tijd loyaal en in vertrouwen hebben meegewerkt om de cursus in haar toenmalige, gelukkig al effectieve vorm te volgen en zo tot een succes te maken, vooral in hun eigen voordeel, wat uiteraard de hoofdbedoeling was.

D. HULP CURSUSRUIMTE
Met de bescheiden maar royaal aangeboden en uitstekend ingebedde ondersteuning van ds. Hans Visser van de Pauluskerk te Rotterdam op het gebied van cursusruimte is e.e.a. ontworpen en ontwikkeld (in de periode 1989 – 1995). Wij kregen gratis zijn eigen werkkamer tot onze beschikking.

* Voor het cursusboek en werkboek (huiswerkstof) en de oefeningen (lesstof) heeft grotendeels model gestaan het werk van prof. dr. H.T. van der Molen in “Aan verlegenheid valt iets te doen” (1984).
** Met royale en loyale medewerking van ds. Hans Visser. Hij stelde zijn eigen werkkamer gratis ter beschikking (vertrouwen!) en later de Pauluskerk onder zeer gunstige voorwaarden.