Probleemanalyse / diep (werkex.)

Beschrijf uw eigen situatie.

Print u a.u.b. deze pagina uit. Vul na elk punt de vrije ruimte in met eigen tekst.

1. SITUATIE

Je merkt bij jezelf een ongewenst gevoel of een ongewenst gedrag. Je beschrijft waar het innerlijk conflict zit.
(Als je in een vervelende situatie het woordje “maar” kunt gebruiken, dan is er een innerlijk conflict, een tegenstrijdigheid.)

 

2.  ANALYSE
Je maakt een G-schema (gebeurtenis, gedachten, gevoelens, gedrag):

a. Gebeurtenis of situatie  (Waar was ik? Wat gebeurde er?)


b. Gedachten
(Wat ging er door mijn hoofd? Welk gesprek voer­de ik met mijzelf? Wat dacht ik?)


c. Gevoelens
 (Wat voelde ik? Hoe voelde ik me?)

 

 

Probeer elk gevoel * on­der te brengen in een van de vier basis-ge­voe­lens, dat wil zeggen: één pretti­ge en drie onprettige name­lijk:

  • blij (het is zoals het moet zijn),
  • boos (het is niet zoals het moet zijn), Zie Boosheid
  • bang (drei­ging, vaak vaag),
  • be­droefd (ver­lies, b.v. van een idee, een illusie, een ver­onderstelling).

d. Gedrag (Wat deed ik toen? Of wat liet ik juist achterwe­ge?)

 


3.  ACHTERLIGGENDE GEDACHTEN EN GEVOELENS
Pak de gedachten (2-b) eruit en maak deze zo veel mogelijk af en zoek naar achterliggende gedach­ten. Hierbij ga je uit­ van de vraag waar je last van hebt, wat je dwars zit, waar het innerlijk conflict zit (zie punt 1 en 2-c). Dus je gaat bij je gevoelens te rade om de ge­dachten goed te kunnen afma­ken en eventuele achterliggende gedach­ten te kunnen vinden.
Als je een onverklaarba­re angst hebt (punt 1), dan kun je zo op het spoor van de oorzaak komen (dus kijken wat je dwars zit en welke gedachten je hebt). Onderzoek of er ook nog andere gedach­ten een rol spelen. Vaak komen ook onbewuste, automatische gedachten op, als de situatie bekend is.

 


4.  EVALUATIE
Wat vind je van je situatie en je gedachten? Hoe waardeer je die? Welke basisgedachten houd je hoog in het vaandel?

 


5. DOEL
Omschrijf hoe je je had willen voelen en gedragen en hoe je je voort­aan in soortgelijke situaties wilt voelen en gedragen (Doel, motor voor verandering)

 


6.  BEOORDELING GEDACHTEN
Daag je gedachten (2-b en 3) uit aan de hand van de volgende 4 principes van rationeel denken:

a. Hoe weet ik dat zo zeker? Heb ik niet overdre­ven? Zijn mijn gedachten waar, terecht?
b. Helpen die gedachten me mijn ge­wenste gevoel/gedrag te berei­ken?
c. Helpen die gedachten me ongewenste conflicten te voorkomen?
d. Helpen mijn gedachten me mijn doel te bereiken?

 


7.  NIEUWE GEDACHTEN
Stel er andere gedachten voor in de plaats die wel leiden tot gewenste gevoelens/gedrag. Probeer je deze nieuwe gedachten eigen te maken. Zie de nieuwe situatie voor je, zodat die voor je gaat leven. Maak een oefenprogramma.

 

+++++++++++++++++++++++++++++++++++

Maak je regelmatig probleemanalyses op papier of in je hoofd, dan merk je steeds minder vaak een ongewenst gevoel of gedrag (zie punt 1).

Dick Schoneveld

*        Er zijn vele emoties, gevoelens. Een paar voorbeelden: agressiviteit, angst, bezetenheid, blijdschap, boos­heid, dankbaarheid, depressivi­teit, geloof, gespannenheid, haat, hoop, irritatie, lief­de, luste­loos­heid, machte­loos­heid, minderwaar­dig­heids­ge­voel, moedeloos­heid, moe­heid, neer­slach­tigheid, nieuwsgierig­heid, ongeduld, ongeloof, ontevreden­heid, onzeker­heid, opge­wekt­heid, opluchting, pa­niek, plezier, radeloosheid, ruste­loosheid, schaam­te, schuld­gevoel, sexuele aan­trek­kingskracht, tevre­denheid, verantwoordelijkheidsgevoel, verbazing, verdriet, verge­vings­gezindheid, verlan­gen, verras­sing, wal­ging, woe­de, zelfbeheersing, zelfrespect, zelfvertrouwen, zelfzucht.