Workshop parafraseren en reflecteren (3/3)

Met dank aan de inbreng van de vervolggroep van Corry de Rooy, psychologe.

OEFENING 1

Lezen en proberen te onthouden van de onderstaande theorie, hier meer de volledigheid benaderend dan op pagina 2/3 

 THEORIE

 Parafraseren * is het geven van een inhoudelijke samenvatting van wat de ander zojuist heeft verteld, de kern.
    Reflecteren is het verwoorden van het gevoel ** dat de ander in zijn verhaal heeft laten doorklinken.

*

• Een parafrase is, kortom, een verkorte weergave van bestaande gegevens.

• Een conclusie is een toevoeging van een nieuw, verzonnen gegeven, naar aanleiding van bestaande gegevens.

• Een interpretatie is een conclusie omtrent iemands bedoeling of mening.

 

**

Een gevoel is een geestestoestand die bepaalt hoe onze stemming is.
     Een paar voorbeelden van gevoelens, emoties: agressiviteit, angst, bezetenheid, blijdschap, boos­heid, dankbaarheid, depressivi­teit, enthousiasme, geloof, gespannenheid, haat, hoop, irritatie, lief­de, luste­loos­heid, machte­loos­heid, minderwaar­dig­heids­ge­voel, moedeloos­heid, moe­heid, neer­slach­tigheid, nieuwsgierig­heid, ongeduld, ongeloof, ontevreden­heid, opge­wekt­heid, opluchting, pa­niek, radeloosheid, ruste­loosheid, schaam­te, schuld­gevoel, sexuele aan­trek­kingskracht, tevre­denheid, verantwoordelijkheidsgevoel, verbazing, verdriet, verge­vings­gezindheid, verlan­gen, verontwaardiging, verras­sing, wal­ging, woe­de, wrok.
     Het is soms lastig uit te maken wat nu gevoelswoorden zijn en wat niet. Voorbeelden: “Gisteren heb ik gevist. Ik vind vissen prettig”. “Ik ben eergisteren naar het strand geweest. We hebben genoten.” Prettig en genoten zijn woorden die een waardering of beoordeling van een toestand, gebeurtenis of handeling uitdrukken. Ze kunnen een goede parafrase zijn, maar zijn geen (reflectie van) gevoel. “Ik vind haar leuk.” Hier is leuk ook geen gevoelswoord. Het zegt iets van “vinden”, het is een bijwoord. Het is geen gemoedstoestand, wat wel het geval is bij een gevoel, zoals verbazing of verlangen. “Hij heeft fantastisch gesport vanmiddag.” “Hij heeft zich kostelijk vermaakt”. Dit zijn woorden die beschrijven hoe de tijd is besteed en wat de waardering daarvan is. Ze geven een gevolg aan van allerlei mogelijke gevoelens, zoals blijdschap, dankbaarheid en enthousiasme. Deze gevoelens monden uit in het feit dat hij zich kostelijk heeft vermaakt, wat een parafrase is. Niet elk woord dat een positieve of negatieve betekenis heeft, geeft een gevoel aan, maar kan wel deel uitmaken van een parafrase: “Dus begrijp ik goed, dat het een leuke middag was?”

Verlegenheid wordt bestreden met rationele gedachten en beheersing van luistervaardigheden, spreekvaardigheden en assertieve vaardigheden. Luistervaardigheden zijn belangrijker dan spreekvaardigheden, want belangstelling kun je geven, niet eisen.
     De belangrijkste en moeilijkste luistervaardigheden zijn parafraseren en reflecteren.

Als je een parafrase of een reflectie wilt geven, vraag je dan af: “Wat wil de zender mij duidelijk maken? Wat zit er achter zijn woorden? Welke bedoeling heeft hij?”

De functies van een parafrase en een reflectie kunnen zijn:
1. Weten of je de spreker goed begrepen hebt.
2. De verteller aanmoedigen verder te vertellen.
3. Met de toon duidelijk maken dat je graag zou willen dat de samenvatting als een afsluiting gezien wordt..
4. De verteller corrigeren.  

Parafraseren  en reflecteren kunnen onder andere van groot nut zijn bij het reageren op kritiek. Reageren op kritiek begint namelijk vaak met parafraseren en reflecteren. We oefenen eerst met parafraseren en reflecteren van tekst die geen verband houdt met kritiek, omdat parafraseren en reflecteren op zich al lastig genoeg kan zijn.

De parafrase mag zo kort zijn, dat daaruit alleen de kern gehaald kan worden bv. “Ze gingen voetballen”. Wie “ze” zijn blijkt uit het volledige verhaal.

 In praatprogramma’s geven journalisten doorgaans zeer goede parafrases en reflecties,

                                               +_+_+_+_+_+_+_+_+_

OEFENING 2

a.
De mini-begeleider richt zich in de grote groep tot een willekeurig ander groepslid (de luisteraar) op enthousiaste toon met de volgende zin:

>>> We hebben de hele dag op het strand gevolleybald, gezwommen in zee, gezonnebaad, allerlei lekkers gegeten bij de strandtenten en hele gesprekken gevoerd over allerlei onderwerpen. <<<

b.
De luisteraar en alle overigen bedenken een parafrase van maximaal ongeveer 5 woorden. Iedereen schrijft zijn parafrase op.

c.
Apart hiervan bedenken de luisteraar en alle overigen een reflectie van maximaal ongeveer 5 woorden. Iedereen schrijft deze reflectie op.

d.
De mini-begeleider vraagt de luisteraar en vervolgens alle anderen kris kras hun parafrase en reflectie hardop voor te lezen (het is niet verboden de eigen voor te lezen tekst aan te passen nadat men die van een ander heeft gehoord).

e.
De mini-begeleider en de avondbegeleider, die alle resultaten gehoord hebben, geven een parafrase en een reflectie zoals die volgens hen zouden kunnen luiden en alle groepsleden geven desgewenst commentaar, in totaal max. twee minuten.

                                                +_+_+_+_+_+_+_+_+_

OEFENING 3

We doen oefening 2 nogmaals, maar nu leest iemand anders op een uitermate verveelde toon de tekst in punt a voor.

De rest van oefening 2 wordt uitgevoerd..

                                                +_+_+_+_+_+_+_+_+_

OEFENING 4

We verdelen de grote groep in sub-groepjes van twee, A en B.
     A vertelt 10 minuten. B parafraseert en reflecteert tussendoor zo veel als mogelijk en nuttig is, echter zonder de ander het gevoel te geven dat hij steeds wordt onderbroken.
     A en B praten na
     We wisselen de rollen om en doen dezelfde oefening. A en B praten weer na.
     In de grote groep vertelt kris kras elk groepslid, wat z.i. goed was aan de wijze waarop zijn partner deze oefening heeft uitgevoerd.

                                               +_+_+_+_+_+_+_+_+_

ALTERNATIEVE OEFENING (voor extra bijeenkomst)

a. In de grote groep schrijft iedereen een verhaaltje van ongeveer 100 woorden. Van zijn eigen verhaal noteert hij zelf daarna meteen een parafrase en een reflectie (p en r). Dus hij schrijft op wat hij zelf denkt dat de kern van zijn verhaaltje is, qua inhoud en gevoel. Een hulpmiddel bij deze oefening kan de volgende werkwijze zijn: Bedenk eerst een kerngedachte en maak daar dan een verhaaltje omheen.
b. Kris kras leest iedereen zijn eigen verhaal voor en kijkt hierbij afwisselend iedereen aan. De anderen schrijven de naam op van de auteur, ze proberen in gedachten een goede p en r  te verzinnen en schrijven deze op.
c. Het verhaal van een willekeurig groepslid komt aan bod. Alle andere groepsleden lezen hun p en r voor die ze gemaakt hebben van het verhaal van dat groepslid. Er wordt in de groep meteen over nagepraat. Daarna komt het verhaal van een volgend groepslid aan de orde en wordt er weer nagepraat over de p en r .

Commentaar: b en c worden niet gecombineerd omdat de kans groot is dat de bespreking dan uitloopt en anderen met hun verhaal helemaal niet meer aan bod komen. Verder kan bezinking nog leiden tot aanpassing van de p en r.

                                                                 +_+_+_+_+_+_+_+_+_